Je bent niet ingelogd. Log in of registreer je

Nothing's Wrong

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Go down  Bericht [Pagina 1 van 1]

1 Nothing's Wrong op vr mei 30, 2014 5:02 pm

Izzy


Calm Down

Diep ademhalen.
De koele avondlucht voelde als een zegen, zeker na de kamer die hij net had verlaten. Er was bijna niemand meer op straat, afgezien van een paar feestgangers.
Kalmeer, in vredesnaam, Rowan.
Langzaam, heel langzaam verdwenen de zwarte vlekken voor zijn ogen, en kon hij wat helderder nadenken. Niet dat nadenken hem verder hielp.
Het was kouder dan hij had gedacht – nu hij een aardig stuk had gelopen begonnen zijn handen af te koelen. Snel stak hij ze in de zakken van zijn grijze vest en versnelde zijn pas.
Opnieuw vulden zijn longen zich met lucht, in een nieuwe poging rustig te blijven.
‘Ze bedoelden het niet zo, Rowan.’
Hij schrok zo dat hij bijna viel, en zijn hoofd schoot omhoog. Emili liep weer naast hem, en ondanks het feit dat ze een van de laatste personen was die hij wilde zien begon hij jaloers te worden op het feit dat ze geen last had van de kou.
‘Laat me met rust.’
Hij wist echter dat dat geen effect op haar had.
‘Ze zijn bezorgd om je. Je moeder wilde niet boos op je worden,’ ging ze verder, haar ogen op haar schoenen gericht.
Hij snoof schamper. ‘En dat weet jij zo goed omdat…?’ Toen ze geen antwoord gaf klemde hij zijn kaken op elkaar. ‘Weet je waarom mijn vader me uitscheldt, Emili? Begrijp je waarom ik het haat om naar school te gaan? Nou?’ Woedend keek hij haar aan, en zijn ademhaling werd weer gejaagder. Zijn stem was harder geworden.
Ze knikte. ‘Maar als je nu gewoon je medicijnen -’
‘Ik word gek van die medicijnen!’ De kleur was weggetrokken uit zijn gezicht. ‘Ik -’
‘Hé!’
Met een ruk draaide hij zich om en vloekte zacht. Emili was verdwenen, en in haar plaats liepen er nu twee jongemannen achter hem, die hij herkende als studenten van zijn school. Ze zaten in zijn jaar, maar hij had ze nooit gesproken. En dat wilde hij graag zo houden.
Hij ging nog sneller lopen, maar de twee haalden hem met gemak in. Ze liepen nu een meter achter hem.
‘Dit is die gast die tegen zichzelf praat, waar Mike het over had. Hij is gek.’
De ander lachte. ‘Ziet hij spoken?’
‘Weet ik veel. Vraag het hem zelf.’
Opnieuw gelach, en een hand greep hem ruw bij zijn schouder zodat hij stil moest blijven staan. Hij keek niet op toen de langste voor hem kwam staan en hem breed toegrijnsde. ‘Klopt het wat hij zegt, kleine? Zie je inderdaad spoken? Is dat waarom papa niet van je houdt?’
Diep ademhalen.
Ze weten niet waar ze het over hebben.

Zonder hen een blik waardig te keuren begon hij weer te lopen, zijn vuisten gebald in zijn zakken. Maar ze waren nog niet klaar met hem.
‘Het is niet beleefd om mensen zo te negeren, weet je dat?’ De langere jongen trok hem aan zijn capuchon terug, en de ander lachte. Met een zelfvoldane grijns dwong hij Rowan om hem aan te kijken.
Een paar tellen keek hij de ander strak aan, zijn kaken op elkaar geklemd. Er was niets van zijn gezicht af te lezen, maar zijn ogen glommen. Het leek alsof een dikke mist zijn hoofd vulde, waardoor hij niet kon nadenken, en voor hij goed en wel doorhad wat hij deed sprintte hij de straat uit, weg uit het centrum van de stad. De twee kwamen hem niet achterna, maar lachten alleen.

Pas toen hij in een winkelstraat liep waar alle ramen donker waren, en het enige licht van een lantaarnpaal kwam, kwam hij tot stilstand en zakte hij langzaam op het trapje voor een winkel in elkaar.
Kalmeer.
Zijn hart klopte in zijn keel een maakte dat hij het gevoel kreeg dat hij moest overgeven. De zwarte vlekken dansten opnieuw voor zijn ogen.
Kom op, Rowan. Rustig ademhalen, het komt wel goed.
In een poging zijn tranen in te houden verborg hij zijn gezicht in zijn handen en drukte zijn palmen tegen zijn ogen. Hij rilde ondertussen van de kou.
Het kostte hem ontzettend veel moeite om uiteindelijk ervoor te zorgen dat zijn lichaam deed wat hij wilde, en dat was de stemmen in zijn hoofd negeren en stoppen met trillen. Hij haalde diep adem, terwijl zijn ademhaling langzaam weer normaal werd, en haalde zijn mouw langs zijn ogen.
Hij zou die avond niet naar huis kunnen. Hij had geen sleutel, en hij was er zeker van dat zijn vader hem niet binnen zou laten.
In de verte klonk gezang op, dat eerst dichterbij kwam en toen langzaam wegstierf, alleen een leeg gevoel in zijn maag achterlatend.
Emili kwam die nacht niet terug, en voor het eerst in zeventien jaar voelde hij zich echt alleen.

No Angel

Het was zo ontzettend koud…
Klappertandend opende hij zijn ogen, en voelde dat er dauw op zijn wimpers zat. Hij kon niet zeggen hoe lang hij had geslapen, maar de klok die aan de andere kant van de straat in de etalage stond gaf aan dat het een paar minuten over acht was.
De lucht was grijs, en gezien hij alleen een shirt onder zijn vest droeg was hij sterk afgekoeld. De zon leek niet door de wolken heen te kunnen breken.
Toen hij langzaam uitademde ontsnapten er witte wolkjes uit zijn mond, en ik een poging wat warmer te worden verborg hij zijn handen in zijn mouwen.
De mensen die al op weg waren naar hun werk en langs hem heen liepen keurden hem nauwelijks een blik waardig. Er was één vrouw die half medelevend, half walgend op hem neerkeek, en snel weer doorliep, haar dikke winterjas om zich heen trekkend. Een paar minuten later volgde een oudere man in een zwart pak, die hem een dollar in zijn hand drukte, waarvan hij schrok – ze zagen hem aan als een zwerver.
Met de dollar in zijn hand geklemd keek hij de straat even door, en zag dat de winkels één voor één open gingen.
‘Hé!’
Abrupt viel hij naar achteren, toen de eigenaar van de winkel de deur open trok. ‘Maak dat je wegkomt, jij!’ De man was kleiner dan hij, maar hij keek dreigend en het laatste wat hij wilde was problemen. Snel kwam hij overeind, de dollar met gevoelloze vingers in zijn zak stoppend, en begon te lopen. Zijn blik op de straat probeerde hij niet tegen mensen aan te botsen, zonder enig idee waar hij heen ging. Zijn voeten begonnen langzaam op te warmen, maar de rest van zijn lichaam was nog steeds ijskoud.
Toen hij opkeek was hij verloren.
Hij had geen idee waar hij was – een ander deel van de stad, niemand die hij kende –
Een man knalde tegen hem op, en mompelde een verwensing toen hij doorliep. Een ander wist hem net te ontwijken en riep over zijn schouder dat hij uit moest kijken.
Langzaam begon de wereld te draaien. Hij begon weer te lopen, in een poging uit de drukte te komen. Zijn tempo versnelde.
Rustig, Rowan.
Maar ik –
Kalmeer!

De stemmen in zijn hoofd werden luider en luider, tot het punt dat hij zelf wilde schreeuwen.
Hij kneep zijn ogen dicht, vond zijn balans terug en wilde verder lopen.
‘Kijk uit!’
Een warme, sterke hand sloot zich om zijn bovenarm en trok hem hard naar links. De wereld schoot voor een paar tellen om hem heen – een auto die langs scheurde en hem op een haar na miste, de felgekleurde jassen van omstanders, en de grond, die gevaarlijk dichtbij kwam.
Het was gewoon te veel.
De geschrokken kreten om hem heen, de tierende autobestuurder, en de gillende stemmen in zijn hoofd.
‘Gaat het wel?’
De handen die bij de donkere, zachte stem hoorden hielden hem overeind – anders was hij zeker in elkaar gezakt.
Hij gaf geen antwoord. Hij rilde over zijn hele lichaam, en hij kreeg geen woord over zijn lippen.
‘Geef die jongen wat ruimte.’ Een stem, die van een vrouw.
‘Er valt niets te zien, mensen!’ De handen hielden hem nog steeds overeind. ‘Kom op,’ vervolgde de stem, zachter en rustiger.
Zijn blik werd pas weer helder toen de handen hem neerzetten op een bankje, en nu kon hij eindelijk duidelijk zien. Hij zat ergens aan de rand van een park dat hij niet kende, onder een grote wilg, en degene die hem hier heen gebracht had stond tegenover hem.
Het was een jongeman met donkere, bijna zwarte ogen die licht glommen terwijl hij Rowan onderzoekend aankeek. Hij was iets ouder dan hij, misschien, één, twee jaar, en was net iets groter.
Hij glimlachte toen hij merkte dat de ander bij zinnen was, en plofte naast hem op het bankje neer.
‘Doe me dat nooit meer aan. Die man was pissig.’
Rowan keek hem alleen maar aan. Hij was nog te veel van slag om iets te zeggen. Maar de ander lachte hem alleen toe en leunde achterover, nonchalant een hand door zijn zwarte haar halend. ‘Waar woon je?’
Rowan had hem het liefst verteld dat het hem niets aanging. Hij kende hem niet eens, al had hij waarschijnlijk zijn leven gered.
‘Christopher Street.’ Zijn stem was schor en bijna onverstaanbaar.
De jongeman knikte kort en keek hem onderzoekend aan, voor hij zich zo draaide dat hij met één been op het bankje zat, en hij Rowan beter kon aankijken. Hij ging zachter praten, om ervoor te zorgen dat voorbijgangers niet meeluisterden. ‘Ik dacht serieus dat je flauw viel daarnet, man. Wat gebeurde er?’
Rowan haalde quasionverschillig zijn schouders op. ‘Niets.’
‘Niets?!’ De ander lachte eens kort. ‘Maak dat iemand anders wijs.’
Beiden waren even stil, elkaar alleen aankijkend, tot de jongeman zijn hand uitstak, een flauwe grijns op zijn gezicht. ‘Kael Brown.’
Aarzelend schudde Rowan zijn hand. ‘Rowan Riderhood.’
De ander grijnsde breder. ‘Aangenaam, Rowan.’
Er verscheen een voorzichtige glimlach op zijn gezicht. ‘Aangenaam.’

Fire And Rain

‘Hier.’ Kael grijnsde toen hij Rowan zijn koffie aanreikte.
Een kwartier geleden hadden ze het park verlaten. Toen ze langs Starbucks waren gelopen had Kael aangeboden koffie te halen, en gelachen toen Rowan hem de ene dollar aanbood. ‘Hou die maar.’
Nu liepen ze al drinkend naast elkaar over de stoep, geen woord met elkaar uitwisselend.
Niet alleen de koffie warmde Rowan op – het was weken, misschien maanden geweest dat hij volledig kalm was geweest. Hij had twee pilletjes onderin zijn zak gevonden, die hij had herkend als zijn medicijnen, en had ze ingenomen zonder dat Kael het merkte.
Hij keek pas op toen Kael weer begon te praten. ‘Waarom ben je gisteren eigenlijk weggelopen?’ Toen de ander niet meteen antwoord gaf voegde hij er snel aan toe: ‘Als het me niets aangaat moet je dat zeggen. Ik kan wel wat hebben.’ Hij keek opzij en grijnsde.
Rowan wierp met een boogje zijn lege koffiebeker in een vuilnisbak en stak zijn handen in de zakken van zijn vest. ‘Mijn vader, voornamelijk.’
De jongeman grinnikte zacht. ‘Die vaders… Ga verder.’
Een flauwe grijns die niet volledig zijn ogen bereikte ging Rowan verder. ‘Hij denkt dat ik gek ben. Mijn moeder doet alsof ik niet besta, en ik heb een broertje die bang voor me is.’
‘No kidding.’ Kaels grijns was verdwenen. ‘Het spijt me.’
‘Het had erger gekund,’ antwoordde hij luchtig, een blik op de lucht werpend. De zon was eindelijk doorgekomen, en de temperatuur was iets gestegen.
‘Ik had je uitgenodigd om bij mij te overnachten, maar Phoenix is nogal een eindje weg.’ Opnieuw wierp de oudere jongeman een blik opzij. ‘Je zou in hetzelfde hotel als ik kunnen overnachten.’
Rowan keek op. ‘Serieus?’
De ander knikte eens. ‘Zolang je het ooit eens terugbetaalt. Ik ga je niet op straat laten slapen.’ Zijn grijns was weer verschenen.
Rowans gezicht lichtte iets op, en voor het eerst in tijden lachte hij. ‘Dank je.’
‘Geen probleem,’ grinnikte Kael, maar Rowan was tot stilstand gekomen en keek naar hem op. ‘Nee, serieus. Misschien weet je niet hoeveel -’ Hij aarzelde even. ‘Dank je.’
Kael grijnsde. ‘Het is geen moeite. Kom op, ik heb geen flauw idee hoe ik vanaf hier terug kom.’
Zijn bekertje achteloos op een muurtje zettend liep hij verder. Hij keek op toen hij merkte dat Rowan nog steeds naar hem staarde, keek hem even met glimmende ogen aan en liep iets voor hem uit.

---

to be continued..?
Probably yes.

Vorige onderwerp Volgende onderwerp Terug naar boven  Bericht [Pagina 1 van 1]

Permissies van dit forum:
Je mag geen reacties plaatsen in dit subforum